Menu

Eén jaar ervaring met de overgang van de NeR naar het Activiteitenbesluit

Sinds 1 januari 2016 is het normatieve deel van de Nederlandse emissie Richtlijn Lucht (NeR) opgenomen in hoofdstuk 2 van het Activiteitenbesluit (AB). Wat betekent deze verandering voor bedrijven en overheden in de praktijk? In eerste instantie lijkt het een beperkte wijziging, omdat de normen één op één zijn overgenomen, maar de praktijk leert dat het wel degelijk diverse wezenlijke veranderingen met zich meebrengt:

  • Een directe werking van de regels uit het AB tegenover het afwegingsproces van de NeR bij vergunningverlening
  • Het vervallen van bestaande voorschriften na 3 jaar
  • Een verschuiving van vergunningverlening naar handhaving

Het gaat om veel meer wijzigingen en consequenties dan veel bedrijven en overheden vooraf voorzagen. Graag deel ik met jullie de ervaringen van onze luchtadviesgroep met één jaar NeR in het AB.

Systematiek
Het normatieve deel van de NeR is ongewijzigd opgenomen in hoofdstuk 2 van het AB. De belangrijkste wijziging is de wettelijke vorm: van een richtlijn als afwegingsinstrument voor het vaststellen van vergunningvoorschriften naar direct werkende regels met de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Hierdoor ligt er een directe verantwoordelijkheid bij bedrijven om vast te stellen of wordt voldaan aan de algemene regels, zo niet om tijdig tot een gedegen technische en juridische onderbouwing te komen waarom maatwerk noodzakelijk is. En dat betekent meer dan menig bedrijf of bevoegd gezag zich lijkt te beseffen, is onze ervaring.

Enkele van onze ervaringen
Beoordeling van nieuwe activiteiten is (relatief) eenvoudig. Voor deze activiteiten geldt alleen het AB. Daarbij is het in de praktijk soms nog best lastig om vast te stellen welke artikelen uit het gehele AB nu precies van toepassing zijn. Voor IPPC installaties zijn de zogenoemde BBT conclusies met voorrang van toepassing. Voor activiteiten genoemd in hoofdstuk 3-5 van het AB gaan de specifieke artikelen in deze hoofdstukken voor op de algemene artikelen van hoofdstuk 2. Voor aspecten die niet specifiek in hoofdstuk 3-5 zijn geregeld, gelden ook de algemene artikelen van hoofdstuk 2. De relevante bepalingen staan dus dikwijls op verschillende plekken in het AB. Mochten de verplichtingen van het AB niet haalbaar zijn, dan kunnen binnen de ruimte die het AB geeft, maatwerkvoorschriften worden aangevraagd en opgesteld.

Beoordeling van bestaande activiteiten
ligt een stuk complexer. Naast bestaande voorschriften uit de vergunning kunnen er ook direct artikelen van hoofdstuk 2 van het AB van toepassing zijn op de activiteit. Soms heerst er nog de gedachte dat er voor bestaande bedrijven een overgangsperiode bestaat van 3 jaar voordat de bepalingen van hoofdstuk 2 AB van toepassing worden. Dat is echter maar ten dele waar. De relevante voorschriften van de bestaande vergunning worden gedurende drie jaar aangemerkt als maatwerkvoorschriften. Voor die aspecten waarvoor géén voorschriften in de vergunning zijn opgenomen gelden de bepalingen van het AB direct. Het kan daarbij gaan om emissies waarvoor in de vergunning geen specifieke emissie-eisen zijn opgenomen, maar waaraan het AB wel eisen stelt. Het bedrijf moet kunnen aantonen hieraan te kunnen voldoen. De specifieke vergunningvoorschriften voor lucht gelden met het overgangsrecht tot 1 januari 2019. Als men daarna nog niet kan voldoen aan de algemene emissie-eisen van het AB, dient men een onderbouwd maatwerkverzoek in te dienen voor het handhaven van de huidige emissie-eisen.

  • Voorbeeld 1: een bestaand bedrijf heeft voor enkele stoffen emissie-eisen in haar vergunning staan. Nu blijkt dat er voor een andere stof geen emissie-eis in de vergunning staat, terwijl de emissie hoger is dan de emissie-eis in hoofdstuk 2 van het AB. Er is voor deze stof geen sprake van overgangsrecht, het bedrijf dient direct te voldoen aan de algemene eis van het AB. Het bedrijf zal moeten onderzoeken hoe kan worden voldaan aan de algemene eis, dan wel onderbouwd een verzoek tot maatwerkvoorschrift aanvragen om weer in compliance te komen.
  • Voorbeeld 2: voor bedrijven die geen specifieke meetverplichting hebben (en waarvoor geen bijzondere regels gelden) voor het controleren van de emissie-eisen is het relevante artikel 2.8 van het AB direct van toepassing. De zogenoemde storingsfactor bepaalt de mogelijke controlevormen en meetfrequentie. Controle zal tenminste moeten plaatsvinden met het vastleggen van Emissie Relevante Parameters (ERP’s) die de performance van maatregelen registreren en vastleggen.

Daarnaast is er met de implementatie van de NeR in het AB een verhoogde aandacht voor de emissie van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Er ligt nu een directe verplichting om alle emissies van ZZS van het bedrijf in kaart te krijgen, te toetsen aan de emissiegrenswaarden en indien nodig een reductieplan (minimalisatieverplichting) op te stellen. Het identificeren van ZZS is dikwijls geen sinecure.

Bovenstaande is zomaar een greep uit enkele van onze ervaringen met het Activiteitenbesluit. Een op het eerste oog simpele wijziging, maar in de praktijk vaak uiterst complex. De consequenties kunnen aanzienlijk zijn, daarom ons advies om goed vast te stellen welke regels nu precies van toepassing zijn. Bedrijven en overheden hebben hiervoor nog het nodige huiswerk te doen.

Ons team: