Menu

Wijze van toetsing gebiedsbescherming Wnb

Bij ruimtelijke ontwikkelingen of activiteiten moet altijd inzichtelijk worden gemaakt of het optreden van (significant) negatieve effecten al dan niet met zekerheid kan worden uitgesloten. De vereiste zekerheid volgt uit de formulering van de Wnb, namelijk die van de artikel 2.7 (over plannen, projecten en ‘andere handelingen’) in combinatie met artikel 2.8 (over zekerheid). Daarnaast is over deze zekerheid jurisprudentie beschikbaar, bijvoorbeeld over het begrip ‘significant’ en ‘natuurlijke kenmerken’ (zaaknummer 200409107/1, onder 2.6.2: het zogenaamde ‘Kokkelvisserijarrest’ van de RvS van 1 juni 2005).

Deze effectbepaling wordt gedaan in een zogenaamde ‘Voortoets’. De Voortoets heeft drie mogelijke uitkomsten:
1. Er is met zekerheid géén sprake van negatieve effecten: er is geen vergunning noodzakelijk.
2. Er kan niet worden uitgesloten dat negatieve effecten optreden, maar deze effecten zijn niet significant negatief, hetgeen betekent dat de instandhoudingsdoelen niet worden geschaad. Wanneer de effecten voor het bevoegd gezag aanvaardbaar zijn, dan wordt een vergunning verleend met daarin mogelijk bepaalde voorschriften of beperkingen.
3. Er is sprake van negatieve effecten én deze zijn significant: één of meer van de instandhoudingsdoelen worden mogelijk geschaad. Er is een zogenaamde ‘Passende Beoordeling’ noodzakelijk, gevolgd door een vergunningprocedure.

De ‘Passende Beoordeling’ kent vervolgens ook drie mogelijke uitkomsten:
3.1. Bij nadere beschouwing blijkt er toch geen sprake te zijn van negatieve effecten (een enigszins theoretische optie). Deze uitkomst kan desgewenst door het Bevoegde Gezag worden bevestigd. Dat kan door een vergunning aan te vragen (die dan formeel niet nodig wordt bevonden) of door informele afstemming
3.2. Er is wel sprake van een negatief effect, maar de omvang van dit effect blijkt bij nadere beschouwing niet significant negatief te zijn. Daarbij is ook rekening gehouden met cumulatieve effecten van andere ontwikkelingen. Een vergunning dient te worden aangevraagd, die mogelijk voorschriften en/of beperkingen zal bevatten.
3.3. Er zijn significant negatieve effecten, effecten kunnen niet worden uitgesloten. Er zal gekeken moeten worden naar de belangen en argumenten om de ontwikkeling op de beoogde wijze en locatie uit te voeren. Deze criteria worden de ‘ADC-criteria’ genoemd. Deze zijn:

  • Alternatieven. Zijn er alternatieven (voor de locatie en/of voor de ontwikkeling zelf) mogelijk en overwogen die mogelijk tot minder schade aan beschermde natuurwaarden leiden?
  • Dwingende reden van groot openbaar belang. Is er sprake van een zogenaamde ‘dwingende reden van groot openbaar belang?’ Er worden verschillende wettelijke belangen onderscheiden. Wanneer sprake is van mogelijke effecten op door de EU als ‘prioritair’ aangemerkte soorten of habitats, is het aantal mogelijke redenen veel kleiner.
  • Compensatie. Op welke manier wordt getracht de schade zo klein mogelijk te laten zijn (mitigatie) of te compenseren? Zulke maatregelen dienen overigens te worden getroffen vóórdat de ontwikkeling kan worden gerealiseerd.

Wanneer niet aan deze ADC-criteria kan worden voldaan wordt geen vergunning verleend. Wanneer er wel aan kan worden voldaan kan uiteindelijk door de provincie of de Minister van EZ een vergunning worden verleend met mogelijk voorschriften en/of beperkingen. Bovenstaande werkwijze is overzichtelijk in een stroomschema (bron: Heijligers (2014)) weergegeven.