Menu

Vertraagt de Ladder voor Duurzame Verstedelijking uw plannen?

Datum: 22-06-2015

Sinds 2012 is het verplicht om bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de Ladder voor Duurzame Verstedelijking (LDV) te doorlopen. Dit gebeurt echter in veel gevallen niet of op onjuiste wijze, waardoor bestemmingsplannen van gemeenten worden vernietigd door de Raad van State. Hoe voorkomt u dat dit met uw plan gebeurt?

Wat is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking?
Het doel van de LDV is tweeledig: het optimaal benutten van de ruimte in het stedelijk gebied en voorkomen dat er overaanbod ontstaat met leegstand en verminderde leefbaarheid tot gevolg. De ladder schrijft voor dat bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen drie stappen (treden) in het planproces moeten worden doorlopen:

  • Trede 1: Is er een regionale behoefte aan nieuwe ontwikkeling?
  • Trede 2: Kan bestaand stedelijk gebied of bestaande bebouwing worden hergebruikt?
  • Trede 3: Mocht nieuwbouw echt nodig zijn, dan moet altijd voor optimale inpassing en bereikbaarheid worden gezorgd.

Meer informatie hierover is te vinden op de website van het ministerie van Infrastructuur en Milieu.

Ladder niet of niet correct toegepast
Voor veel gemeenten blijkt het correct toepassen van de LDV lastig omdat er veel onduidelijkheden zijn. Uit onderzoek van het Planbureau van de Leefomgeving (PBL) blijkt dat bij ruim 70% van de bestemmingsplannen die nieuwe verstedelijking mogelijk maken, de LDV niet is toegepast terwijl dat wel zou moeten.

Hoe moet het wel?
Hieronder enkele voorbeelden van onduidelijkheden en mogelijke oplossingen vanuit de jurisprudentie:

  • Wanneer is een plan ladder-plichtig? Ofwel: Wat is een nieuwe stedelijke ontwikkeling?
    Een stedelijke ontwikkeling is o.a. bedrijventerrein, kantoren, detailhandel en woningbouwlocatie. Uit jurisprudentie blijkt dat één of enkele woningen niet worden gezien als een stedelijke ontwikkeling maar bijvoorbeeld 13 woningen wel.

    Uit recente uitspraken (waaronder Ypenburg) blijkt dat bij de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, de bebouwingsmogelijkheden op grond van het oude bestemmingsplan relevant zijn. Dit betekent dat een stedelijke ontwikkeling niet als nieuw wordt gezien wanneer in het vigerende bestemmingsplan al bebouwing (t.b.v. stedelijke ontwikkeling) was toegestaan. 
  • Hoe stel je vast of er sprake is van actuele regionale behoefte?
    De jurisprudentie leert dat een gemeenteraad niet kan volstaan met een verwijzing naar het met de provincie overeengekomen woningbouwcontingent. Ook blijkt het onvoldoende om alleen de eigen gemeentelijke behoefte aan woningbouw te onderbouwen. Steeds moet worden beoordeeld of die gemeentelijke behoefte ook voorziet in een actuele regionale behoefte.
  • Wanneer wordt plangebied gekwalificeerd als bestaand stedelijk gebied?
    Uit twee recente uitspraken blijkt het vigerende bestemmingsplan van belang. De Raad van State oordeelde dat een nieuwe Veghelse woonwijk, die aansluit bij bebouwd gebied en wordt aangeduid als stedelijk gebied in de Verordening Ruimte, niet binnen bestaand stedelijk gebied valt omdat het gebied nu een agrarische bestemming heeft.

    Over een woningbouwlocatie in Lansingerland oordeelde de Raad van State dat deze wel binnen bestaand stedelijk gebied valt, omdat de voorziene woningen onderdeel zijn van de transformatie van een al als zodanig bestemd kassengebied. Dat kassengebied vormde een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van bedrijvigheid en werd daarom gekwalificeerd als bestaand stedelijk gebied.

Meer informatie?
Voor vragen over de Ladder voor Duurzame Verstedelijking kunt u contact opnemen met Suzanne Swenne, +31 57 06 99 87 6, suzanne.swenne@tauw.nl of Maartje van Ravesteijn, +31 30 28 24 90 2, maartje.vanravesteijn@tauw.nl.