Nieuwe norm openbare verlichting: onmogelijke uitdaging of mooie kans?

Edwin Veldkamp

Al enkele maanden ben ik in training voor de Marathon van Rotterdam van zondag 9 april. Drie keer per week trek ik de hardloopschoenen aan voor een intervaltraining, stukje joggen of een langere duurloop. Afgelopen zondag stond een duurloop op het programma in een comfortabel tempo. Dit comfortabel lopen vraagt het nodige van je discipline, omdat het juist lekker kan zijn om af en toe even te versnellen. Aan de andere kant geeft het comfortabel lopen juist ruimte om je gedachten de vrije loop te laten.

Al na enkele kilometers betrapte ik mij er echter op dat ik sneller ging lopen en dat mijn hartslag evenredig omhoog ging. De reden hiervoor was dat ik mijn gedachten de vrije loop liet en mij vervolgens liep op te winden over een discussie die op het eerste gezicht over cijfertjes gaat. Getalletjes die iets zeggen over gelijkmatigheden en over de mogelijkheid gezichten te herkennen, etc. Maar volgens mij gaat de discussie veel dieper en verder dan alleen verlichting, tenminste dat hoort hij m.i. te gaan.

NPR13201 
Wat is er aan de hand? Eind januari is de nieuwe NPR13201 gepresenteerd; een op de Nederlandse markt toegespitste vertaling van de Europese norm. Een Praktijk Richtlijn waarin staat omschreven hoe partijen moeten omgaan met het ontwerp en de aanleg van openbare verlichting. Gezien de ontwikkelingen die de openbare verlichting de laatste jaren heeft doorgemaakt, was vervanging van de oude Richtlijn Openbare Verlichting (ROVL-2011) ook zeker gewenst. 
Direct na de presentatie van de nieuwe norm is een discussie losgebarsten over (additionele) eisen die aan de verticale verlichtingssterkte zijn gesteld (bedoeld voor gezichtsherkenning) en over het ontbreken van de gelijkmatigheidseisen bij verlichting in verblijfsgebieden. Allerlei kenners roepen om het hardst dat de gestelde waarden niet realiseerbaar zijn, dat de norm moet worden aangepast en dat we de doelstellingen uit het energieakkoord maar moeten vergeten.

Norm
En juist daarover liep ik mij op te winden, terwijl ik eigenlijk van de zon, de aangename temperatuur en de mooie natuur zou moeten genieten. Want volgens mij zit het probleem namelijk niet zozeer in de nieuwe norm, maar wel in de manier waarop wij de afgelopen jaren zijn omgegaan met de openbare verlichting en, ik durf te stellen, met de gehele openbare ruimte. Onder druk van bezuinigingen en energiedoelstellingen zijn we gaan rommelen aan wat acceptabel is en wat wij kwaliteit noemen. Zijn we niet simpelweg ons doel voorbijgeschoten?
Zijn we niet afgegleden naar een niveau dat eigenlijk onder de norm ligt? Er wordt bewust voor gekozen om het onderhoud van wegen af te waarderen en om straten te verlichten met armaturen van slechts 9 Watt en van nog geen 200 euro. En daar past de markt zich uiteraard op aan. Niet omdat het niet beter kan, maar omdat simpelweg andere criteria doorslaggevend zijn geworden. Als het behalen van de norm met maximale mastafstanden en minimaal energieverbruik bepalend is voor het aannemen van werken, dan gaat dit ten koste van zaken als verticale verlichting (kwaliteit) voor weggebruikers en voetgangers.

Terug naar de verlichting
Terug naar de verlichting. Is die nieuwe norm nu echt zo slecht? Kunnen de energiedoelstellingen de prullenbak in? En hebben de critici gelijk als ze zeggen dat de norm aangepast moet worden? Of dwingt deze norm de kenners, adviseurs en leveranciers ons nu tot hard trainen en innoveren om straks harder te kunnen lopen? Ik denk het laatste. Ik houd wel van een uitdaging, doe jij ook mee?

Hoe kunnen wij u helpen?

Leg uw vraagstuk voor aan onze experts, wij adviseren graag.

Edwin Veldkamp
T: +31 65 13 61 07 7
E:edwin.veldkamp@tauw.com
LinkedIn
Edwin Veldkamp