Bodemconvenant ‘Van saneren naar beheren’: hoe nu verder?

Mei dit jaar ondertekenden VNO-NCW en Koninklijke Vereniging MKB-Nederland, namens het gehele bedrijfsleven, het opgestelde convenant tussen bedrijven en overheid. Het convenant ‘Bodem en Bedrijfsleven 2015’ omvat ambities en voornemens die zich met name richten op vereenvoudiging en versoepeling van procedures.

Hoe nu verder

Het omzetten van deze voornemens en ambities in concrete afspraken, ligt voor een groot deel bij bedrijven en de industrie. Een actieve houding en het nemen van initiatief op korte termijn draagt bij aan deze vereenvoudiging en versoepeling, iets waar iedereen baat bij heeft.

Het convenant benoemt drie onderwerpen. Het eerste onderwerp betreft het voornemen bewust(er) te worden van duurzaam/efficiënt beheer én gebruik van bodem & ondergrond. Getoond initiatief binnen dit onderwerp moet worden gesteund/gestimuleerd. De twee andere onderwerpen zijn ingrijpender en worden hieronder toegelicht.

Onderwerp 1: Omgevingswet

Vooruitlopend op de komst van de Omgevingswet (OW), die naar verwachting in 2018 van kracht wordt, zijn in het bodemconvenant drie belangrijke afspraken gemaakt om hierop te anticiperen.

1. Afronding spoedlocaties
Op 31 december 2020 moeten alle spoedlocaties (humaan, ecologisch en/of verspreiding) gesaneerd zijn, of moeten er tijdelijke beveiligingsmaatregelen getroffen zijn om risico’s te beheersen.

Belangrijk hierbij is dat er nu ook afspraken gemaakt zijn over de aanpak van locaties met een verspreidingsrisico, omdat deze een raakvlak hebben met de Kaderrichtlijn Water (KRW). De Kaderrichtlijn Water is de Nederlandse uitvoering van Europees beleid ten aanzien van waterkwaliteit. Er zijn grondwater- en oppervlaktewaterlichamen die, mede op basis van de KRW, als kwetsbaar waterlichaam zijn aangewezen. Wanneer een verontreiniging een dergelijk waterlichaam bedreigt, kan dit een spoedverontreiniging worden, óók wanneer deze volgens de reeds bekende definitie van verspreiding spoed (drijflaag, volume en volumetoename op jaarbasis) geen spoed zou zijn.

Overheden zijn bezig met het inventariseren van deze zogenoemde KRW-spoedlocaties. Bedrijven die op deze spoedlijst terecht komen, worden hierover uiterlijk in 2017 geïnformeerd. Het is voor bedrijven wenselijk om hierin zelf initiatief te nemen en na te gaan of er een kans is dat zij op deze lijst terecht komen. Bedrijven krijgen namelijk slechts één jaar de tijd voor het indienen van een saneringsplan.

Over de beschikkingen ernst en spoed zijn voor zowel de MTR (mid-term review)-locaties als de verspreiding spoedlocaties en KRW-locaties, afspraken gemaakt over wanneer een beschikking afgegeven moet zijn. Deze belangrijke mijlpalen zijn in bijgevoegd figuur opgenomen.

2. Niet-spoedlocatie
Voor niet-spoedlocaties bestaat het voornemen om de procedures voor graafwerkzaamheden en herontwikkeling, waarbij gedacht wordt aan het gebruik van algemene regels (à la BUS en Activiteitenbesluit), te vereenvoudigen.

3. Zorgplicht
Er is voorgenomen de zorgplichtregels te versoepelen. Er wordt gekeken naar wat redelijkerwijs haalbaar is, met de aanpak van een zorgplichtverontreiniging (in samenspraak met bevoegd gezag) in het achterhoofd. Het nieuwe zorgplichtartikel zal worden ingebed in de algemene zorgplicht van de OW.

Onderwerp 2: De bedrijvenregeling

Deze subsidieregeling (voor bodemsanering van historische verontreinigingen voor 1987) kende tot op heden geen einddatum. De Staatssecretaris van het ministerie van Infrastructuur en Milieu zal zich inspannen om deze datum vast te stellen op 1 juli 2022 en waar mogelijk open te houden om deze te verlengen. Ook is er voorgenomen de procedures tot het verkrijgen van deze subsidie te vereenvoudigen. Daarnaast moeten de bestaande subsidiemogelijkheden verruimd worden.

De verruiming van de subsidieregeling leidt er echter niet toe dat bedrijven, die zich niet eerder hebben aangemeld, nu alsnog in aanmerking komen voor een financiële bijdrage vanuit de bedrijvenregeling.

Er worden concrete einddata vastgelegd om saneringsoperaties te bespoedigen en aan te laten sluiten bij de doelstellingen met betrekking tot de spoedlocaties (mits de tweede kamer instemt). Voor niet-spoedlocaties geldt dat deze gesaneerd mogen worden op een ‘natuurlijk moment’. Echter, de subsidieregeling is niet eeuwigdurend. Op uiterlijk 31 december 2029 dient het verzoek tot subsidievaststelling te zijn ingediend. Als er daarna aanspraak wordt gedaan op subsidie, dan kan dat, maar dan moeten er voor 1 januari 2016 afspraken zijn gemaakt met het bevoegd gezag. De hiervoor belangrijke data zijn ook visueel gemaakt in bijgevoegd figuur.

Verder willen de staatssecretaris en het Ministerie van Infrastructuur en Milieu de procedures rondom de bedrijvenregeling vereenvoudigen en versnellen, de uitbetalingsmomenten aanpassen (ook uitbetalen na deelsaneringen, mijlpalen en bij afkoopregelingen) en er wordt onderzocht of er ruimere subsidiemogelijkheden kunnen gelden voor bijvoorbeeld gebiedsgericht grondwaterbeheer.

Contactpersoon: Tessa Verschoor