Voor elke ruimtelijke ontwikkeling of activiteit is het verplicht (significante) negatieve effecten op specifieke natuurwaarden van een Natura 2000-gebied in beeld te brengen of om ze al dan niet met zekerheid uit te sluiten. Voor de effectbepaling is het uitvoeren van de voortoets de eerste stap. TAUW helpt u hierbij.
Voor zowel een project als een plan is een voortoets nodig.
Met de voortoets onderzoeken we de kans dat uw plan of project een significant effect heeft op een Natura 2000-gebied. Daarvoor kijken we onder andere naar de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Uw plan of project heeft een significant effect als deze de haalbaarheid van instandhoudingsdoelstellingen in de weg staat. Het kan bijvoorbeeld zijn dat het project of plan leidt tot een verslechtering van een habitattype of het leefgebied van een habitatrichtlijn- of vogelrichtlijnsoort. Daarnaast kan het project of plan de aangewezen habitatrichtlijn- en vogelrichtlijnsoorten verstoren, waardoor instandhoudingsdoelstellingen niet haalbaar zijn.
De Voortoets heeft drie mogelijke uitkomsten:
In de praktijk komt uit de voortoets vaak al naar voren of een negatief effect significant is of niet. Op basis daarvan kan voor een concreet project worden overgegaan op de vergunningsaanvraag (waarbij de voortoets ook als verslechteringstoets dient) óf een passende beoordeling. In enkele situaties kan in aanvulling op de voortoets een nadere uitwerking van de verslechteringstoets nodig zijn om te toetsen of de kans op een significant effect reëel is of niet.
Het resultaat van een voortoets is een rapport met daarin:
Een veel besproken onderwerp is de stikstofproblematiek. Stikstof is zelf onzichtbaar, maar de effecten zijn zichtbaar bij specifieke zeldzame habitats, beschermt in een aantal Nederlandse Natura2000-gebieden. Een voorbeeld van een habitattype dat gevoelig is voor stikstofdepositie is (droge en natte) heide. De heidevegetaties groeien goed als de stikstofconcentratie laag is en de bodem zuur maar niet extreem verzuurd is. Andere, meer algemene soorten, zijn dan gelimiteerd door de lage stikstofconcentratie. Op het moment dat de stikstofconcentratie stijgt en dit dus niet meer limiterend is voor bijvoorbeeld grassen, dan verdwijnt de heidevegetatie en komt er een soorten- en structuurarme grasvegetatie voor in de plaats. De biodiversiteit neemt daarmee af.
Activiteiten zoals graven, bouwen, slopen of baggeren kunnen de specifieke condities in een gebied dusdanig aantasten dat onvoldoende geschikt leefgebied overblijft voor soorten. Maar ook een activiteit waardoor de grondwaterstand in een Natura 2000-gebied verandert tast mogelijk de specifieke condities aan.

Leg uw vraagstuk voor aan onze experts, wij adviseren graag.