Wanneer is een voortoets nodig?

Voor zowel een project als een plan is een voortoets nodig.

  • Een project is gericht op de concrete uitvoering van een ruimtelijke ontwikkeling (niet zijnde regulier/bestendig beheer of onderhoud). Een project heeft per definitie een concrete planning en pakket van maatregelen.
  • Een plan is een kaderstellend plan van een (semi)overheid dat formeel wordt vastgesteld. Voorbeelden zijn een bestemmingsplan, structuurplan of peilbesluit. Het plan maakt wel concrete projecten mogelijk maar dwingt de uitvoering ervan niet af. Een plan kan ook weinig concreet zijn en/of geen concreet tijdspad hebben.

Significante negatieve effecten

Met de voortoets onderzoeken we de kans dat uw plan of project een significant effect heeft op een Natura 2000-gebied. Daarvoor kijken we onder andere naar de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Uw plan of project heeft een significant effect als deze de haalbaarheid van instandhoudingsdoelstellingen in de weg staat. Het kan bijvoorbeeld zijn dat het project of plan leidt tot een verslechtering van een habitattype of het leefgebied van een habitatrichtlijn- of vogelrichtlijnsoort. Daarnaast kan het project of plan de aangewezen habitatrichtlijn- en vogelrichtlijnsoorten verstoren, waardoor instandhoudingsdoelstellingen niet haalbaar zijn.

Mogelijke uitkomsten van de voortoets

De Voortoets heeft drie mogelijke uitkomsten:

  1. Uw plan of project heeft met zekerheid géén negatief effect.
    U heeft voor een concreet project geen vergunning nodig. Voor een plan zijn er geen belemmeringen vanuit Natura 2000 aan de orde.
  2. Negatieve effecten van uw plan of project zijn niet uitgesloten, maar deze effecten zijn niet significant negatief, hetgeen betekent dat de activiteiten het behalen van de instandhoudingsdoelen niet schaden.
    Het Bevoegd Gezag verleent een vergunning voor een concreet project, wanneer deze de effecten aanvaardbaar acht. Voor plannen is geen vergunning nodig, maar is de vergunbaarheid van de in het plan mogelijk gemaakte ontwikkelingen wel relevant voor de uitvoerbaarheid. De vergunning voor een project omvat mogelijk bepaalde voorschriften of beperkingen. Lees meer over de ecologische vergunningsaanvraag.
  3. Uw project of plan heeft negatieve effecten én deze zijn significant: één of meer van de instandhoudingsdoelen worden mogelijk geschaad.
    Een verdiepend onderzoek is nodig in de vorm van een zogenaamde ‘Passende Beoordeling’, voor projecten eventueel gevolgd door een vergunningprocedure. Lees meer over de passende beoordeling.

Verslechteringstoets

In de praktijk komt uit de voortoets vaak al naar voren of een negatief effect significant is of niet. Op basis daarvan kan voor een concreet project worden overgegaan op de vergunningsaanvraag (waarbij de voortoets ook als verslechteringstoets dient) óf een passende beoordeling. In enkele situaties kan in aanvulling op de voortoets een nadere uitwerking van de verslechteringstoets nodig zijn om te toetsen of de kans op een significant effect reëel is of niet.

Rapportage

Het resultaat van een voortoets is een rapport met daarin:

  • Een toelichting op het betreffende project of plan
  • Een beschrijving van de mogelijke negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen of een uitsluiting daarvan
  • Een conclusie: geen vergunning noodzakelijk, een vergunning is verplicht of een passende beoordeling is noodzakelijk.

 

Heeft u een vraag?

Neem contact op met onze adviseur

Frank Aarts
  +31 62 11 06 31 5

Stuur mij een e-mail

Stikstof

Een veel besproken onderwerp is de stikstofproblematiek. Stikstof is zelf onzichtbaar, maar de effecten zijn zichtbaar bij specifieke zeldzame habitats, beschermt in een aantal Nederlandse Natura2000-gebieden. Een voorbeeld van een habitattype dat gevoelig is voor stikstofdepositie is (droge en natte) heide. De heidevegetaties groeien goed als de stikstofconcentratie laag is en de bodem zuur maar niet extreem verzuurd is. Andere, meer algemene soorten, zijn dan gelimiteerd door de lage stikstofconcentratie. Op het moment dat de stikstofconcentratie stijgt en dit dus niet meer limiterend is voor bijvoorbeeld grassen, dan verdwijnt de heidevegetatie en komt er een soorten- en structuurarme grasvegetatie voor in de plaats. De biodiversiteit neemt daarmee af. 

Activiteiten zoals graven, bouwen, slopen of baggeren kunnen de specifieke condities in een gebied dusdanig aantasten dat onvoldoende geschikt leefgebied overblijft voor soorten. Maar ook een activiteit waardoor de grondwaterstand in een Natura 2000-gebied verandert tast mogelijk de specifieke condities aan.

 

Heeft u vragen over de voortoets?

Leg uw vraagstuk voor aan onze experts, wij adviseren graag.