De gevolgen samengevat

  1. Intern salderen in de voortoets is niet meer mogelijk. Intern salderen is daarmee (weer) vergunningplichtig.

  2. De effecten van de referentiesituatie (intern salderen) mogen wel als mitigerende maatregel worden betrokken in de passende beoordeling.

    De referentiesituatie wordt ontleend:
    • Aan de geldende natuurvergunning (= gevolgen van activiteiten die aanwezig waren of konden zijn, inclusief onbenutte ruimte) of, bij het ontbreken daarvan:
    • Aan de milieutoestemming die gold op de referentiedatum (het moment waarop artikel 6 van de Habitatrichtlijn van toepassing werd voor het betrokken Natura 2000-gebied), tenzij nadien een milieutoestemming is verleend voor een activiteit met minder gevolgen. Dan geldt die toestemming als referentiesituatie (= gevolgen van activiteiten die zijn vergund én feitelijk aanwezig zijn én - als die niet structureel in gebruik zijn - zonder natuurtoestemming kunnen worden hervat).

  3. Additionaliteitsvereiste als voorwaarde voor salderen: maatregel is niet ook nodig om natuur te behouden, herstellen of verslechtering te voorkomen.

  4. Terugwerkende kracht op situaties vanaf 01-01-2020. Herstelperiode van deze situaties tot 01-01-2030.

 

 

Heeft u een vraag?

Neem contact op met onze adviseur

Stikstof informatiepunt 

Stuur ons een e-mail

Intern salderen vergunningplichtig

Tot 18 december 2024 konden initiatiefnemers van projecten via intern salderen vaak hun project realiseren zonder dat daarvoor een natuurvergunning nodig was. Met intern salderen werd in de voortoets gekeken naar het verschil in effect van de stikstofdepositie tussen de aangevraagde situatie en de referentiesituatie. Als er geen (netto) toename werd berekend op overbelaste stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden, dan was er geen natuurvergunningplicht. Dit is nu veranderd: intern salderen mag niet meer in de voortoets, maar moet in een passende beoordeling plaatsvinden. Het project is dan natuurvergunningplichtig als het op zichzelf beschouwd, dus zonder aftrek van de referentiesituatie, een toename van stikstofdepositie veroorzaakt.

Gevolgen vergunningplicht

De vergunningplicht voor intern salderen heeft voor initiatiefnemers van projecten een aantal gevolgen. Ten eerste betekent de vergunningplicht dat er voor nieuwe situaties meer rechtszekerheid ontstaat. Dat is goed nieuws na een periode waarin onzekerheid bestond over de rechtskracht die uitgaat van bijvoorbeeld een positieve weigering of onzekerheid over projecten die zonder vergunningplicht doorgang vonden (na intern salderen). Daar staat tegenover dat initiatiefnemers nu aan de voorkant meer onderzoekslasten hebben en rekening moeten houden met een langere doorlooptijd tot toestemming voor het project.

Omgang met stikstofruimte in oude milieutoestemmingen aangescherpt

Intern salderen mag nog wel plaatsvinden in een passende beoordeling. De referentiesituatie hangt af van de wijze waarop de bestaande activiteiten zijn toegestaan. Als er een natuurvergunning is, wordt de referentiesituatie daaraan ontleend. Het betreft de effecten van activiteiten die op grond van deze natuurvergunning aanwezig waren of konden zijn, inclusief onbenutte ruimte. Dat is niet anders dan hoe dat voor 18 december 2024 werd gedaan. Als er geen natuurvergunning aanwezig is, dan wordt de referentiesituatie herleid uit verleende milieutoestemming.

Met deze uitspraak mag nog alleen uitgegaan worden van de activiteiten die, voor de Europese referentiedatum van het relevante Natura 2000-gebied, vergund zijn én feitelijk gerealiseerd, voor zover er geen latere milieutoestemmingen zijn afgegeven die een lagere activiteit toestaan. Dat is een inperking dan gold voor 18 december 2024, omdat eerder het criterium ‘feitelijk gerealiseerd’ niet van belang was. Praktisch gezien betekent dit, dat niet meer gesaldeerd mag worden met activiteiten die weliswaar milieuvergund waren, maar niet gerealiseerd. Denk hierbij aan een stal die wel milieuvergund is, maar (nog) niet gebouwd.

 

Additionaliteisvereiste

In haar uitspraak bepaalt de Raad van State dat bij het beoordelen van een vergunningaanvraag voor intern salderen, zoals dat al geldt voor extern salderen, ook het additionaliteitsvereiste betrokken moet worden. Dit houdt in dat een afname van emissies ten opzichte van de referentiesituatie (intern salderen) alleen gebruikt mag worden voor een nieuwe ontwikkeling als deze afname niet ook nodig is om de staat van de natuur verder op orde te krijgen. Voor de uitvoeringspraktijk is dit lastig. De meeste initiatiefnemers hebben geen invloed op natuurbeleid en worden zo dus getoetst op iets waar juist de provincies en het Rijk verantwoordelijk voor zijn. Zolang er geen zicht is op een pakket van maatregelen of een programma vanuit het Rijk of de provincies dat gericht is op de daling van de achtergronddepositie, kan voor veel projecten niet aangetoond worden dat aan het additionaliteitsvereiste wordt voldaan en zal het bevoegd gezag (de provincie) de natuurvergunning niet verlenen.

 

Terugwerkende kracht

De nieuwe eisen die de RvS stelt aan intern salderen gelden met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2020. Dat betekent dat alle projecten die sinds 1 januari 2020 zijn gerealiseerd met toepassing van intern salderen, zonder dat daarbij een natuurvergunning is verleend, alsnog een natuurvergunning nodig hebben. Het betreft ook de projecten waarvoor een positieve weigering is afgegeven. Er is dus een nieuwe groep ‘PAS melders’ ontstaan, die van de ene op de andere dag niet meer overeenstemming zijn met het geldende recht zonder dat zij daar zelf schuld aan hebben. Om hoeveel projecten het gaat is niet bekend, maar de verwachting is dat het om honderden projecten gaat.

Er geldt wel een overgangsregeling voor projecten die tussen 1 januari 2020 en 1 januari 2025 zonder natuurvergunning zijn gerealiseerd (of al in uitvoering waren) met intern salderen. Deze projecten moeten voor 1 januari 2030 alsnog een natuurvergunning krijgen en hebben. Voor dat tijdstip zal niet handhavend worden opgetreden.

 

Praktijkvoorbeelden uit de woningbouw en industrie

VOORBEELD WONINGBOUW

Een nieuwe woonwijk is gepland. De bouw gaat plaatsvinden op een perceel waarop eerder akkerbouw plaatsvond. In 2023 is de bouwvergunning verleend. Er is in het kader van die procedure ook een AERIUS berekening gemaakt. De stikstofdepositie als gevolg van het bouwen en ingebruik zijn van de woonwijk is intern gesaldeerd met het wegvallen van de stikstofdepositie, die het gevolg was van het bemesten van de landbouwgrond. Als de bouw nog niet fysiek is gestart: in 2023 gold voor deze situatie geen natuurvergunningplicht. Na het intern salderen was er namelijk geen sprake meer van een toename in stikstofdepositie. Volgens de nieuwe jurisprudentie is deze situatie nu wél natuurvergunningplichtig. Er moet dus een natuurvergunning worden aangevraagd. Zonder een natuurvergunning mag niet gestart worden met de bouw.

  • Als de bouw nog niet fysiek is gestart: in 2023 gold voor deze situatie geen natuurvergunningplicht. Na het intern salderen was er namelijk geen sprake meer van een toename in stikstofdepositie. Volgens de nieuwe jurisprudentie is deze situatie nu wél natuurvergunningplichtig. Er moet dus een natuurvergunning worden aangevraagd. Zonder een natuurvergunning mag niet gestart worden met de bouw.

  • Als de bouw inmiddels fysiek is gestart: er is feitelijk sprake van een niet legale situatie. Er vindt immers een natuurvergunningplichtige activiteit plaats zonder dat er een natuurvergunning voor is afgegeven. De projectontwikkelaar heeft de gelegenheid tot 01-01-2030 om dit te herstellen. In de tussentijd kan de bouw worden voortgezet onder de overgangsregeling.

 

VOORBEELDEN INDUSTRIE

  • 1. Een fabriek beschikt over een natuurvergunning. Nadien is er ergens in de periode 2020-2025 via intern salderen een verandering doorgevoerd in de fabriek.

    De wijziging wordt met terugwerkende kracht vergunningplichtig. De fabriek dient voor 01-01-2030 te beschikken over deze nieuwe natuurvergunning.

  • 2. Een bestaande fabriek uit 1980 heeft in 2021 een vergunningprocedure doorlopen voor een omgevingsvergunning milieu om haar productieniveau te verhogen. Uit de AERIUS berekeningen bleek in 2021 dat de productieverhoging leidt tot stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied. De stikstofuitstoot die gepaard gaat met de productieverhoging, is intern gesaldeerd door bestaande verouderde installaties te vervangen door moderne installaties die minder stikstof uitstoten. De fabriek heeft geen natuurvergunning, wel heeft de fabriek de benodigde milieuvergunningen. De nieuwe milieuvergunning is inmiddels verleend.

    In 2021 was deze situatie niet vergunningplichtig voor natuur, maar met de nieuwe jurisprudentie wel. De activiteiten van de fabriek leiden namelijk tot stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied. Handhaving zal niet plaatsvinden tot 01-01-2030, maar de fabriek zal een natuurvergunning moeten aanvragen om haar huidige situatie te legaliseren. In die vergunningaanvraag kan de fabriek betrekken dat er sprake is van een referentiesituatie op basis van verleende milieutoestemmingen.

  • 3. Een fabriek is in 2022 nieuw gebouwd op een braakliggend terrein. Uit onderzoek dat destijds is uitgevoerd met een AERIUS berekening blijkt dat de uitstoot van de fabriek op zichzelf niet leidt tot meer dan 0,00 mol/ha/jaar stikstofdepositie.

    Doordat er geen sprake is van enige mate van stikstofdepositie noch van intern salderen, is er geen sprake van vergunningplicht voor natuur

  • 4. Een nieuwe fabriek is gepland, momenteel loopt de vergunningaanvraag bouw en milieu. Op dezelfde locatie staat een bestaande andere fabriek, deze zal gesloopt worden om plaats te maken voor de nieuwe fabriek. Uit de AERIUS berekening blijkt dat de uitstoot van de nieuwe fabriek en ook de bouwfase daarvan leidt tot 0,5 mol/ha/jaar stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied. De bestaande fabriek geeft een stikstofdepositie van 0,6 mol/ha/jaar op dezelfde natuurgebieden. Voor de bestaande fabriek is een natuurvergunning verleend voor onbepaalde tijd.

    In deze situatie is er wél sprake van natuurvergunningplicht, omdat de nieuwe fabriek op zichzelf leidt tot stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied. Dit geldt voor zowel de bouw als het gebruik van de nieuwe fabriek. In de vergunningprocedure kan aangevoerd worden dat er gesaldeerd kan worden met de bestaande natuurvergunning en dat er netto zelfs sprake is van een daling van depositie (0,5 – 0,6 = -0,1). De lopende vergunningprocedure milieu kan ongehinderd doorgaan. Maar voordat de bouw mag beginnen, en ook voordat de nieuwe fabriek in gebruik genomen mag worden, is een natuurvergunning vereist. De bestaande fabriek mag in werking blijven, er is immers al een natuurvergunning verleend. De onderbouwing van additionaliteit zal in het kader van deze vergunning relevant zijn.

  • 5. Een bestaande fabriek uit 1980 heeft in 2023 een vergunningprocedure voor natuur doorlopen om haar productieniveau te verhogen. De fabriek heeft geen bestaande natuurvergunning. Uit de AERIUS berekeningen bleek dat de verhoogde fabrieksactiviteiten leiden tot stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied. Deze depositie is intern gesaldeerd met de stikstofruimte ontleent aan de in 1980 verleende milieuvergunning. De provincie heeft in 2023 de aanvraag voor een natuurvergunning geweigerd met een positieve weigering.

    In 2023 was deze situatie niet vergunningplichtig. Dat blijkt ook uit de positieve weigering die is afgegeven. Met de nieuwe jurisprudentie is de fabriek wel vergunningplichtig. De activiteiten van de fabriek leiden namelijk tot stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied. Bij die beoordeling moet de uitstoot van de fabriek als geheel worden beschouwd, niet alleen de productieverhoging. Handhaving zal niet plaatsvinden tot 1-1-2030, maar de fabriek zal een natuurvergunning moeten aanvragen om haar huidige situatie te legaliseren. De positieve weigering is in deze niet relevant. In de vergunningaanvraag die gestart moet worden, kan de fabriek betrekken dat er sprake is van een referentiesituatie op basis van verleende milieutoestemmingen. Bij de vergunningaanvraag moet ook verantwoord worden dat de stikstofruimte in de referentiesituatie niet ten goede hoeft te komen aan natuur.

 

Kunnen wij u helpen op het gebied van saldering stikstofdepositie?

Leg uw vraagstuk voor aan onze experts, wij adviseren graag.